Nieuwe heup

22-01-2010: Opname en operatie. Ruim op tijd aanwezig (6:30 uur) was het op de afdeling orthopedie, op een enkel spaarzaam lichtje na, nog donker. Desondanks werden we (mijn vrouw en ik) opgewekt verwelkomd door een verpleegster, die ons mee nam naar de nog lege conversatie ruimte. Daar werd ons verteld dat de operatie door een spoedgeval niet om 7:30 uur kon beginnen maar waarschijnlijk een uurtje later. Aan de hand van enkele vragen werd mijn dossier bijgewerkt. Ook werd mij gevraagd om op de afdeling Bloedafname bloed te laten afnemen met het oog op een eventueel noodzakelijk bloedtransfusie.

Om 8:00 uur, we waren net terug van de bloedafname, nam de dagdienst de zorg voor de afdeling over. Vrijwel direct werden we opgehaald en naar de kamer gebracht waar ik de komende dagen zou verblijven. Eenmaal geïnstalleerd en door een gastvrouw geïnformeerd over een aantal praktische zaken (zoals gebruik telefoon, radio en tv) kwam al snel het bericht dat men mij kon klaarmaken voor de operatie. Operatiejasje aan, twee pilletjes (Paracetamol) ingenomen, met viltstift een pijl op het te opereren been gezet, katheter ingebracht en, na afscheid genomen te hebben genomen van mijn vrouw, met bed en al op weg richting operatiekamer. Van die rit herinner ik me in ieder geval het schrijnend gevoel veroorzaakt door de ingebrachte katheter.

In een zich vlak voor de operatiekamer bevindende  ruimte werd, tussen snel dicht getrokken gordijnen, begonnen met de voorbereidingen voor de ruggenprik. Als de ruggenprik niet zou slagen, zou het alternatief van de algehele verdoving in mijn geval met zich mee brengen dat de beademingslang bij vol bewustzijn ingebracht zou moeten worden. Om die reden had ik me stellig voorgenomen om hoe dan ook doodstil te blijven zitten. Dat lukte mij niet alleen, bij een tweede poging (meer van opzij) bleek ook de ruggenprik succesvol.

Om 10:00 uur (zo hoorde ik na afloop) begon de operatie. Afgeschermd door operatielakens heb ik daar niets van gezien. Vreemd is wel dat je alles hoort. Niet alleen het overleg tussen de orthopeed en zijn assistenten (wat niet altijd geruststellend was), maar ook het zagen en beitelen. Het meest bizar nog was het moment waarop men kennelijk met een hamer de prothese op zijn plaats moest zien te krijgen. Ik hoorde niet alleen het metaal van de hamer op het metaal van de prothese slaan, maar ik voelde ook, zonder dat het overigens pijn doet, de trilling van de slagen door mijn hele ruggengraat gaan. Mogelijk bij mij versterkt omdat mijn ruggengraat door mijn Bechterew tot één massieve massa is vergroeid. Ik waande mij op dat moment in ieder geval een oude fiets waaruit de fietsenmaker met een zware hamer hardhandig een vastgeroeste crank aan het verwijderen was.

Net toen het in één houding op mijn rechter zij liggen zo langzamerhand ondraaglijk was geworden werd mij verteld dat de prothese op zijn plaats zat. Nadat de wond was dichtgenaaid werd ik met ondersteuning van enkele kussens op mijn rug gelegd en vervolgens om 11:30 uur (klaar wakker) naar de uitslaapkamer gereden.

Daar werd ik zelf, maar ook de zich achter mij bevindende meetapparatuur, voortdurend door verpleegkundigen in de gaten gehouden (controleren van bloeddruk, polsslag, ademhaling, en wond). Ook kreeg ik een slangetje in mijn neus voor wat extra zuurstof. Na nog geen dertig minuten werd ik opgehaald en was ik terug op mijn kamer, waar twee verpleegkundigen direct aan het (opnieuw) controleren van bloeddruk, polsslag, ademhaling en wond begonnen. Een ritueel, dat in eerste instantie elk uur werd herhaald en waarvan de frequentie de daarop volgende dagen langzaam maar zeker zou afnemen. Gelukkig werd het irriterende zuurstof slangetje vervangen door een zuurstofbrilletje. Een ingenieus slangetje met twee uitlaatjes die  niet in je neus, maar voor je neusgaten wordt gezet en via geleiding langs je oren op zijn plaats wordt gehouden. De pijn was draaglijk (een zesje) en werd bestreden met twee Paracetamol tabletten. Dat was, zoals later bleek, vooral het gevolg van een nog niet volledig uitgewerkte verdoving. Tegen de avond nam de pijn behoorlijk toe en werd, ter verlichting, van tijd tot tijd een morfine injectie toegediend. Bij een tweede controle werd vastgesteld dat de wond doorlekte. Extra (grote) pleisters werden over de reeds aanwezige pleister geplakt en het geheel werd ingesnoerd door een elastisch om buik en bovenbeen gesnoerd omhulsel.

Ik weet dat ik, zowel ’s middags als ’s avonds, met smaak iets gegeten heb van wat de op dat moment dienstdoende ‘voedingsadviseuse’ mij had toebedacht. Ik weet ook dat ik zowel ’s middags als ’s avond bezoek heb gehad. Voor de rest heb ik voor mijn gevoel tot de volgende ochtend liggen doezelen waarbij ik, steeds als ik dacht net in slaap te zijn gevallen, wakker werd van het geluid van een binnen rollend karretje.

Al vrij snel kwam ik er achter dat mijn dagritme tot aan mijn vertrek bovenal bepaald zou worden door het geluid van binnenrollende karretjes, waarvan de lading was bepaald door de activiteit die op dat moment volgens strak schema moest worden uitgevoerd. Aparte karretjes voor ontbijt en lunch, voor de warme maaltijd, voor de warme en koude dranken voorziening, voor het uitreiken van de medicijnen, voor het uitvoeren van de periodieke onderzoeken, voor het verwisselen van verbanden, voor het schoonmaken van de toiletruimte, voor het schoonmaken van de kamer, voor het uitreiken van de dagelijkse (gratis) krant, voor het ophalen van de vuile was (handdoeken en washanden worden door het ziekenhuis ter beschikking gesteld). Zelfs het dagelijkse bezoek van de zaalarts ging vergezeld van een binnen rollend karretje volgehangen met patiëntendossiers. En niet te vergeten, het geluid van de binnen rollende po stoel, die ik zelf gelukkig maar één keer (in een vroege ochtend) nodig heb gehad, maar die een kamergenote met grote regelmaat moest helpen ontlasten.

In de loop van de avond werd ik verlost van het zuurstof brilletje.

Pijn: Als basis voor de pijnstilling kreeg ik vier keer per dag (bij de maaltijden en voor het slapen gaan) 2 Paracetamol tabletten (500 mg) toegediend. Daarboven op kreeg ik twee keer per dag (bij het ontbijt en voor het slapen gaan) een Artrotec tablet. De eerste twee dagen heb ik ook nog enkele morfine injecties gekregen. Na de operatie was ik de typische pijn van de artrose kwijt. De daarvoor in de plaats gekomen ‘wondpijn’ heb ik echter niet als een verademing ervaren. Of, zoals de orthopeed tijdens één van zijn bezoeken tegen mij zei: “Je krijgt het nu eenmaal niet voor niets”.

23-01-2010: Uit bed en lopen. Tussen de door de karretjes gedicteerde ziekenhuis routine was mijn belangrijkste bezigheid een houding te vinden waarin ik de pijn zo goed mogelijk kon ontlopen en zo mogelijk wat kon slapen. Dat laatste was in mijn geval alleen mogelijk door op mijn rechterzijde te liggen met een kussen tussen mijn benen geklemd. Nadeel daarvan is echter dat er na verloop van enige tijd een soort verkramping optreedt die steeds wanhopiger vraagt om een andere houding. Het enige alternatief was dan om op de rug te gaan liggen, ondersteund door een (door mijzelf) omhoog gezet hoofdeinde en enkele dikke kussens achter mijn rug. Een soort bedgewoel dat ik, totdat ik weer op mijn nu nog gewonde zij mag liggen, vol moet zien te houden.

Omstreeks 11:30 uur kwam de fysiotherapeut aan mijn bed. Ik moest op de rand van mijn bed gaan zitten. Door mij aan de omhoog staande randen van mijn bed op te trekken lukte dat vrij vlot. De therapeut schoof mijn slippers aan mijn voeten, trok een zich op de afdeling bevindend looprek bij, hing de zak van de katheter aan het looprek en gaf me opdracht tussen het looprek te gaan staan. Vervolgens moest ik het looprek iets naar voren plaatsen, mijn geopereerde been tussen het looprek zetten met de voet plat op de grond en daarna mijn gezonde been bijplaatsen onderwijl mijn gewicht opvangend met het looprek. De eerste stap was gezet. Hoewel de loopbeweging op mij tegennatuurlijk overkwam volgde ik uit zelfbehoud in blind vertrouwen de instructies van de therapeut. Voor ik het wist passeerde ik (24 uur na de operatie) de ingang van de naast gelegen kamer. Gelukkig mocht ik toen omdraaien en bereikte ik zwaar ademend maar ongeschonden mijn ‘veilige’ bed. Een misrekening. Ik moest plaats nemen in een naast mijn bed staande stoel en daar blijven zitten tot na de lunch. Na de lunch wist ik met behulp van het looprek zelf mijn bed te bereiken en ik ben er, ondanks de opgegeven strekoefeningen, die dag niet meer uitgeweest.

24-01-2010: Iets meer mobiel. Was ik de voorgaande dag nog door een verpleegkundig in mijn bed gewassen, het feit dat ik inmiddels kon ‘lopen’ betekende nu dat ik dat zelf moest doen. Wel werd hulp toegezegd voor die delen waar ik zelf niet bij kon. Het bleek al met al mee te vallen. Vooral ook omdat er een stoel voor de wastafel was gezet en mijn, voor de wasbeurt benodigde spullen, onder handbereik klaar waren gelegd.

Om circa 11:30 uur stond de fysiotherapeut weer bij mijn bed. Niet alleen moest ik nu een grotere afstand afleggen, een deel daarvan moest ik ook met twee krukken lopen. Dat ging wel, maar het kostte me door mijn gebogen houding enorm veel moeite om mijn evenwicht te bewaren. Iets wat ik niet hoefde uit te leggen, maar door de therapeut zelf ook werd geconstateerd.

Mede omdat het zondag was stonden er geen andere, van de ziekenhuis routine afwijkende activiteiten op het programma. Wel heb ik het diner, samen met mijn kamergenote, zittend aan de op de kamer aanwezige tafel genuttigd. Waarschijnlijk omdat het aan tafel zitten voor ieder van ons een nogal pijnlijke aangelegenheid was bleef de tafelconversatie beperkt tot het uitwisselen van slechts enkele algemeenheden.

Vanaf de dag na de operatie had  ik dagelijks een injectie met het bloedverdunnende middel Fraxiparine gekregen om trombose te voorkomen. Dit moest vier weken lang worden volgehouden. Thuis zou ik dat zelf moeten doen. Omdat zelf doen voor mij lastig is diende mijn vrouw mij tijdens het bezoekuur onder het toeziend oog van een verpleegkundige alvast haar eerste  injectie toe. Alsof ze nooit anders gedaan had.

25-01-2010: Trap op en af. Nog voor de komst van het eerste karretje, kreeg ik een antibioticum toegediend met de mededeling dat dit diende ter voorkoming van een mogelijke infectie als gevolg van de over een uurtje te verwijderen katheter. Na de verwijdering, die soepel verliep, kreeg ik de opdracht veel te drinken om de zelfwerkzaamheid weer op gang te brengen. Of het heeft geholpen kan ik niet zeggen, maar redelijk snel was plassen (weer) een bezigheid waarvoor ik mijn bed uit moest.

Na ontbijt en grotendeels op eigen kracht uitgevoerde wasbeurt werd ik met bed en al naar de röntgenafdeling gebracht voor een controle foto. Niet erg spannend behoudens het moment waarop ik mezelf van het bed naar de röntgentafel moest verplaatsen.

Omstreeks 11:30 uur stond een andere fysiotherapeut naast mijn bed. Van haar moest ik iets fatsoenlijks aantrekken omdat we gingen oefenen in de hal en dat was nu eenmaal een publieke ruimte. Gelukkig was daarin voorzien door de eerdere aanschaf van een makkelijk aantrekbare trainingsbroek. Op krukken (van het looprek was dit keer geen sprake), maar wel losjes ondersteund onder mijn arm, bereikte ik de onderste trede van de trap naar de volgende etage. Aanvankelijk de instructies stipt volgend had ik het ‘kunstje’ al snel door. Zodanig dat ik, toen verteld werd dat ik nog niet de hele trap op hoefde, reageerde met: “Laten we nu maar even doorgaan”. Ook de trap af ging, na verkregen instructies, redelijk vlot.

Gezien ons dubbel bovenhuis, was een belangrijke voorwaarde om naar huis te mogen dat ik in staat zou moeten zijn om zelfstandig, met behulp van één kruk en de trapleuning, een trap op en af te kunnen lopen. Na deze ervaring achtte ik me daartoe zeker in staat ook al waren de trappen in ons huis wat minder comfortabel (hogere treden, smallere leuning, haakse bochten) dan die in het ziekenhuis.

’s Middags kwam de orthopeed nog even langs en vertelde dat de röntgenfoto’s bevestigd hadden dat de operatie goed was uitgevoerd. Verder legde hij uit dat bij een zijwaartse operatie (zoals bij mij uitgevoerd) de spier die het gewricht normaliter op zijn plaats houdt losgemaakt was en, na plaatsing van de prothese, opnieuw was vastgehecht. Voor volledige genezing van de spier staat zes weken en gedurende deze tijd mocht de spier absoluut niet worden (over)belast. Zijn conclusie: “Zowel de operatie als het herstel was tot nu toe geheel volgens het boekje”.

26-01-2010: Nog één keer oefenen. Door mijn herstel behoefde ik nog nauwelijks aandacht van de verpleegkundigen. Het traplopen ging volgens de fysiotherapeute zelfs aanzienlijk beter. Ik was klaar om naar huis te gaan. Het wachten was op de formele toestemming van de zaalarts en dat zou moeten  wachten tot de volgende morgen. Omdat mijn zwager een auto heeft met een wat hogere instap en wat hogere stoelen, heb ik hem gebeld met de vraag of hij mij de volgende dag op zou kunnen komen halen. Geen enkel probleem.

27-01-2010: Naar huis. Kort nadat de zaalarts (rond 10:00 uur) formeel toestemming had gegeven voor ontslag uit het ziekenhuis ontving ik mijn ontslagdocumenten (recepten voor de apotheek, een verwijzing naar een fysiotherapeut, een afspraak voor het verwijderen van de hechtingen (05-02-2010), een afspraak voor een controle bezoek bij de orthopeed (08-03-2010) en een vragenlijst in het kader van een tevredenheidonderzoek en een aantal wondpleisters (na elke vijf dagen moet de pleister op de wond vervangen worden door een schone). Om 10:30 uur werd ik opgehaald door vrouw, zwager en schoonzus. Een half uur later zat ik thuis aan de koffie en zou ik me, met hulp van mijn vrouw, verder zelf moeten zien te redden.

Gezondheidszorg: Vooropgesteld dat ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is, heb ik zonder uitzondering de inzet, vakbekwaamheid en zorgzaamheid van al degenen die bij mijn behandeling betrokken zijn geweest als bijzonder positief ervaren.

Naar Opnieuw

Terug naar Versleten heup